Geschiedenis spoorwegen
in en om
Roosendaal

 
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van kopie, op digitale of welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van auteur en/of webmaster.
 
 
 

Het raccordement Philips te Roosendaal

 
Een foto uit 1969 van het raccordement Roosendaal Philips (in NS-termen Rsdphi) is aanleiding om wat meer te vertellen over de uit 1951 daterende en inmiddels geheel opgebroken 'stamlijn' Kalsdonk/'t Leen, aangelegd op kosten van de Gemeente Roosendaal. De andere 'stamlijn' ligt op het industrieterrein Borchwerf en dateert uit 1984.
 
 
Met een juist aan de fotograaf ontglippend viertje Mat '46 naar Breda werd in 1969 het raccordement Roosendaal Philips vastgelegd in zijn oorspronkelijke toestand. In die tijd werden ontspoortongen bediend door een wisselsteller en stond er nog een draaibaar sein bij. Zowel de eigenlijke 'stamlijn' naar Philips als de aftakking naar de PNEM waren beveiligd door een ontspoortong. Achter de rug van de fotograaf stond het huisje van 'Ome Rinus'.
 
Op 1 augustus 1951 werd het raccordement (of stamlijn) Kalsdonk/'t Leen, aangelegd op kosten van de gemeente Roosendaal en Nispen, in gebruik genomen door zowel de PNEM als Philips. Eigenlijk had de PNEM een aftakking van de stamlijn die rechtstreeks naar het terrein van Philips ging. Het was ook de PNEM die in 1951 het meest verlegen zat om een spooraansluiting voor haar nieuw onderstation aan de Leemstraat. Vermoedelijk ging het om uitwisseling van transformatoren. Een goederenwagen kon in zijn geheel naar binnen worden gereden. Aan de voorzijde van het gebouw bevindt zich nog altijd een hoge en grote deur.
 
 
Situatietekeningen (niet op schaal) van het raccordement (of stamlijn) Kalsdonk/'t Leen, 1951-heden. Nu is alleen de spooraansluiting naar Jan de Rijk Logistics nog aanwezig, zelfs nog in de toestand zoals deze in 1974 is aangelegd.
 
 
Situatietekening van het raccordement (of stamlijn) Kalsdonk/'t Leen, zoals aangelegd in 1951. De aansluiting doorsnijdt het perceel van Jacoba A. Dekkers (verdeeld in zes kadastrale nummers).
 

Ome Rinus

 
De stamlijn doorsneed in 1951 het keuterboerderijtje van Jacoba Adriana Dekkers die met haar twee broers het huisje bewoonde dat precies in de splitsing van de stamlijn naar Philips en de aftakking naar de PNEM lag. Na haar dood in 1957 werd haar broer Marinus ('Ome Rinus') Jacobus Dekkers eigenaar van het huisje, dat in 1858 was gebouwd en nagenoeg onveranderd was gebleven.
 
Het land eromheen werd in 1951 door de gemeente opgekocht. In 1968 volgde het huisje, maar Marinus behield het gebruik totdat hij het pand vrijwillig zou verlaten of tot het tijdstip van zijn overlijden. Voorts werd op kosten van de gemeente een nieuwe uitweg ter breedte van 2,50 meter aangelegd langs het raccordement naar de Leemstraat. Nadien raakte de Korte Zegstraat buiten gebruik. Toch bleef de weg tot 2011 liggen, zij het wel overwoekerd door onkruid. De toegangsweg uit 1968 bestond tot eind 2010, toen de gemeente Roosendaal meende de drie grote Canadese populieren op het vroegere erf van 'Ome Rinus' te moeten kappen en op deze plaats een bult zand te storten als aanzet voor een toekomstig viaduct over het spoor ter verbinding van de huidige industrieterreinen Majoppeveld en Borchwerf.
 
Ome Rinus was geboren op 19 maart 1907 en stierf op 1 april 1986. Zijn bidprentje vermeldt onder meer de tekst: ‘Rinus, of Ome Rinus, zoals de meesten van ons hem kenden, heeft het T.V.-journaal nooit gehaald, want alles wat “men” hier op aarde doorgaans belangrijk vindt, was hem ten enenmale vreemd. Integendeel, heel gewoon heeft hij zijn leventje geleefd, jarenlang met zijn broer en zus en de laatste tijd alleen met zijn hond en z’n kippen. Alleen, maar niet eenzaam. Er liep namelijk altijd wel iemand bij hem binnen om een praatje te maken en iedereen genoot van de rust die in zijn bouwvallige boerderijtje heerste. En zo ging Rinus, daar in zijn schamele krotje op ’t randje van de grote wereld, voor velen toch nog iets betekenen, omdat hij je in staat stelde op adem te komen van ’t jachtige leven daarbuiten.'
 
Een mooiere illustratie van ervaringen van mensen, wonend naast 'het spoor', is in onze tijd (waarin mensen door kranten, radio, televisie en elkaar de kop steeds gekker maken) haast ondenkbaar.
 
In 1966 liet NV Internationaal Expeditiebedrijven H. Hentzen, gevestigd te Rotterdam, naast het raccordement aan de Leemstraat een overslagloods met spooraansluiting bouwen. In de jaren van een sterk opkomend vervoer over de weg bleef een druk gebruik echter uit. Er gingen jaren voorbij dat er geen of slechts zeer sporadisch een enkele wagen werd aangeboden of aangebracht. Rond 2000 werd de spooraansluiting opgebroken.
 
 
Links: Het huisje van 'Ome Rinus', Korte Zegstraat 6 te Roosendaal, 9 maart 1986. Op de voorgrond ligt het wissel voor de spoor-aansluting van Hentzen.
 
Rechts: Het huisje van 'Ome Rinus', Korte Zegstraat 6 te Roosendaal, 24 november 1974. De rails en dwarsliggers van de stamlijn werden in 1974 helemaal vernieuwd.
 
 
Het leegstaande huisje van 'Ome Rinus', Korte Zegstraat 6 te Roosendaal, inmiddels na zijn overlijden op 1 april 1986 ten prooi gevallen aan vandalisme en kort voor de sloop, 16 april 1986.
 
 
Het huisje van 'Ome Rinus', Korte Zegstraat 6 te Roosendaal, 24 november 1974. De PTT gaf nog service tot aan het poortje van 'Ome Rinus'. Nog maar enkele jaren tevoren waren de groene plastic brievenbussen ingevoerd. Omdat de PTT de toegangsweg naar zijn huisje nog als openbare weg beschouwde, hoefde 'Ome Rinus' zijn post niet aan de Leemstraat te gaan ophalen.
 
 

Het laatste jaar van het huisje


Auteur dezes kwam in het najaar van 1969 voor het eerst in de buurt van zijn huisje, slechts met het doel om een foto te maken van het naastgelegen raccordement Kalsdonk/’t Leen. Achteraf gezien, maar dat wist ik toen nog niet, fotografeerde ik het in zijn oorspronkelijke toestand, inclusief ontspoortongen, zoals je deze nu al lang niet meer ziet. Vijf jaar later, op 24 november 1974, kwam ik er weer en ontmoette ik ‘Ome Rinus’, zo bleek later, want de naam van de bewoner van het huisje kwam toen niet ter sprake. Het gesprek was slechts kort, maar gebeurde wel op een vriendelijke toon. Ik maakte nog een paar foto’s van zijn huisje en verdween, zoals ik gekomen was.
 
Nagenoeg elke werkdag pakte ik de trein naar mijn werk in Breda en reed ik langs zijn huisje, totdat ik per 1 augustus 1977 over-geplaatst werd naar Zwolle. Per 1 oktober 1979 kwam ik terug en was het nog slechts een enkele keer per week dat ik de trein naar Breda nam. Uiteindelijk gingen er dus twaalf jaar voorbij, voordat ik in februari 1986 argwaan kreeg en mij afvroeg: Zou het huisje soms leeg staan en wat zal er dan mee gaan gebeuren?
 
Op 9 maart ging ik er kijken en trof er niemand aan. Maar alles was nog intact. Op 16 april, op de terugweg uit Breda, besloot ik er nog eens naar toe te gaan. Goed en wel ter plaatse barstte er een enorme onweersbui los en zat er voor mij niets anders op dan een schuilplaats te zoeken. Vanuit de trein had ik al gezien dat de voordeur van het huisje open stond, dus kon ik er zo naar binnen. Pas toen bleek mij dat er niemand meer kon wonen, want vandalen hadden het interieur behoorlijk toegetakeld. Ik herinner mij nog dat de suikerpot nog gewoon op tafel stond, zij het dat er wat naast lag. Het leek of de bewoner vrij plotseling was vertrokken en nooit meer was teruggekeerd. Na de bui ging ik naar huis en enkele weken later, constateerde ik tot mijn schrik dat het huisje in één enkele dag van de aardbodem was verdwenen.
 
 
Het leegstaande huisje van M.J. Dekkers ('Ome Rinus'), kort voor de sloop, 9 maart 1986.
 
 
Het leegstaande huisje van M.J. Dekkers ('Ome Rinus'), kort na een zware onweersbui op 16 april 1986. Het wissel bij km 3,0 Rsd-Bd ligt nog steeds op dezelfde plaats, al is het nu al jaren lang een 'pompwissel'.
 
 
Locomotief NS 1631 nadert op 16 april 1986 Roosendaal met spitsuurtrein 5262 (Eindhoven - Roosendaal), bestaande uit rijtuigen plan E. De ergste regen is juist voorbij. In de verte staat een fraaie regenboog. Rechts ligt de spooraansluitng naar het Euroveem van Philips (vanaf 01-01-1995 Jan de Rijk Logistics). Bij het wissel begint het raccordement (of stamlijn) Kalsdonk/'t Leen. Bij de NS is het altijd bekend geweest als 'Rsdphi'.
 
 
De Roosendaalse vestiging van Philips ontvangt op 29 september 1992 zijn wagen met soda voor de glasfabricage. De rit met loco-motief NS 6461 staat geboekt als goederentrein 55371. Een jaar later kwam er een definitief einde aan het vervoer van soda van Delfzijl naar Roosendaal. Vervolgens bleef het raccordement ongebruikt liggen. Een kwart eeuw tevoren werd Philips nog driemaal per dag bediend.
 

Uit: Brabants Nieuwsblad, 22 september 1951

 

Het spoorwegraccordement van Philips

Al vanaf het begin stond het vast dat de fabriek van Philips een aansluiting moest krijgen op het Nederlandse spoorwegnet. Dat daarom juist Roosendaal hoog scoorde als plaats van vestiging naast Eindhoven was duidelijk. Toch duurde het nog tot 22 september 1951 voordat het zover was. Een verslaggever van de krant schrijft onder drie kopjes:
 

Tot 1500 wagons jaarlijks, Philipsvervoer loopt over het spoorwegnet, Per 1 November start de glasfabriek

 
Honderd ton zand en de verdere grondstoffen [steenkolen, soda en loodmenie voor het glas, butyl voor de fluorescentie, MB] die voor de buizenfabrikatie nodig zijn, daarbij de verpakkingsmaterialen en halffabrikaten voor de TL-fabriek en het vervoer van daaruit van het eindproduct zullen de last vormen, die in de toekomst via het Vrijdagmorgen in gebruik genomen "raccordement" van het Roosendaalse stationsemplacement naar de Philipsfabrieken zal worden vervoerd. Als straks de glasfabriek op volle capaciteit draait, betekent zulks een vijftienhonderd NS-wagons per jaar.
 
De betekenis van deze eigen lijnverbinding van de Philips-Roosendaal met het net der Nederlandse Spoorwegen is daarmee duidelijk geschetst. Vanaf Vrijdag zullen de enorme DAF-trailers niet meer zo frequent van en naar de Zwaanhoefstraat hoeven te rijden; alleen het vervoer naar de Franse dochterfabriek van Philips geschiedt dan nog met autotractie. In het verleden was het zo, dat gemiddeld ongeveer zes van die enorme wagens vanuit Roosendaal vertrokken op elke normale dag; op abnormale dagen was het zelfs wel tot negen à tien wagens per dag. Ook voor ‘t vervoer naar Frankrijk zal in de toekomst nog een viertal 20 m3-trailers per dag nodig zijn.
 

Hartelijke verhouding

 
Het was al even over elven toen gisterenmorgen de locomotor van het station met de eerste zeven wagens het nieuwe raccorde-ment kwam oprijden. Stationschef Van Heuven, zijn chef-vrachtgoederen Van Zuijen en de hoofdopzichter van Weg en Werken Brands met onderstationschef Drinkenburg hadden op en tegen het kleine locomotiefje plaatsgevonden en vonden op het laadterrein van de Philipsfabrieken een uitgebreid gezelschap hoofdpersoneel van het bedrijf te Roosendaal met een tiental gasten uit Eindhoven onder wie de heer Brouwer, hoofd van de Philipsvervoerssector op hen wachtten.
 

De heer Van Heuven bracht hier met enkele hartelijke woorden de uitstekende samenwerking tussen NS en Philips naar voren, zoals hij die in Eindhoven reeds had leren kennen. Namens Philips-Roosendaal antwoordde hem de heer Aninga. Dit “stalen ros” is voor ons geen paard van Troye, aldus de directeur, die deze gebeurtenis wilde beschouwen als een mijlpaal in de economische ontwik-keling van het Philipscomplex in Roosendaal.
 
Na hem sprak loco-burgemeester Lanen, die het grote belang van deze fabriekscomplexen voor de stad en haar bevolking belichtte. Enkele jaren geleden, aldus de wethouder, stonden wij hier met Ir. Tromp tussen de koeien in bar slecht weer om de eerste spade in de grond te steken. Thans ligt hier dit ook sociaal voor Roosendaal zo belangrijke, prachtige bedrijf en verrijzen er tegenover de laatste huizenrijen van een stadsuitbreiding, waar Roosendaal trots op kan zijn.
 
Toen kon het eerste lossen en laden beginnen en bleef het hele gezelschap in de kantoren van 't bedrijf nog even napraten bij een feestelijk glas. Daar ontvingen de loco-burgemeester en de chefs der NS uit handen van de heer Aninga een Philipsgeschenk naar keuze.
 
Als straks op 1 november de eerste der vier glasovens in de nieuwe fabriek wordt aangestoken, zal dit Roosendaalse bedrijf wat het glas betreft, geheel "selfsupporting" zijn en bovendien in nog grotere mate halffabrikaten leveren voor andere vestigingen van het concern. In de glasfabriek zullen een honderdtal arbeidskrachten plaats krijgen; naar men ons mededeelde, betekent dat echter niet, dat het bedrijf zoveel nieuwe krachten zal aantrekken. De verdere uitgroei van de TL-fabriek maakt vrijwel voldoende krachten vrij om de glasfabriek te doen draaien.
 
 
Locomotief NS 2511 passeert op 16 augustus 1963 met goederentrein 4.6635 (Rsd-Bd) de spooraansluiting van de PNEM bij km. 2,8 Rsd-Bd. Fotograaf Roef Ankersmit staat ongeveer op de vroegere overweg bij km 2,890 Rsd-Bd in de toenmalige Korte Zegstraat. Het weggetje is overigens nog steeds heel goed in het landschap te herkennen.
 
De onbeveiligde overweg werd in 1949 afgesloten vanwege de aanleg van de spooraansluiting. Tot 1924 vond echter bewaking plaats vanuit wachterswoning 23 (bij km 2,580 Rsd-Bd, rechts voor de overweg, gezien vanuit Rsd) aan de Leemstraat 2. Deze woning (zie foto, op de achtergrond) werd in 1854 gebouwd en afgebroken in 1969, kort na het overlijden van Petrus Koevoets, destijds spoorwegbeambte, * 08-06-1885 Rsd, † 23-02-1969 Rsd, gehuwd met Johanna Verstraaten, * 19-04-1890 Rsd, † 21-03-1982 Rsd). Koevoets had de woning in december 1949 van de NS gekocht. Na zijn overlijden ging zijn weduwe naar elders en werd het huis in juli 1969 gesloopt.
 
De goederentrein telt vijftien lege wagens en is onderweg naar het industrieterrein in Etten en Breda. De koelwagens gingen naar Breda om opnieuw van ijs te worden voorzien. Let vooral op de boog van de PNEM-aansluiting met zijn lichte bovenbouw.
 
 
De spooraansluiting naderde het bedrijf van Philips aan de noordzijde van het fabrieksterrein. In de loop der jaren werd het aantal en de ligging van de sporen uitgebreid en gewijzigd.
 
 
Raccordement 1955, situatie na het in gebruik nemen van Hal B in 1948, Hal A in 1951 en Hal C in 1954.
 
 
Raccordement 1960, situatie na het in gebruik nemen van Veem I in 1957 en Veem II in 1960.
 
 
Raccordement 1965, situatie na het in gebruik nemen van het Euroveem in 1965.
 
 
Op 10 april 1990 bedient buurtgoederentrein 55371 van Roosendaal naar Breda ook de aansluiting van de Philipsvestiging in Roosen-daal. Locomotief NS 2439 duwt zijn 'bonte' treintje naar het bedrijf.
Foto Paul Loman. Uit: Sicco Dierdorp en Davy Beumer, D.E.-locomotieven serie 2200/2300 en 2400/2500, blz. 205.
 
 
Sinds eind 1966 had Internationaal Expeditiebedrijven H. Hentzen NV een spooraansluiting op de stamlijn Kalsdonk/'t Leen. Er werden af en toe koelwagens met aardappelen verstuurd en soms schuifwandwagens. Op 17 december 1991 haalt locomotief NS 2259 twee koelwagens op om even later als trein 55371 verder te rijden naar Breda. In 2000 werd op deze aansluiting voor het laatst goederen-vervoer gezien. Ook koelwagens zijn al enkele jaren in Nederland geheel verdwenen.
Foto Remco Bruggink. Uit: Rail Magazine 262, maart 2009, blz. 59.
 
Voor bouwvergunning van loods Hentzen, zie Gemeentearchief Roosendaal: 1966/R074, dossier 31538, aanvraag 29-11-1965, vergunning 08-02-1966 B&W Rucphen, bedrijfsruimte met kantoor aan Leemstraat 1, betreft een te bebouwen gedeelte van 1265 m2, ten behoeve van Internationaal Expeditiebedrijven H. Hentzen NV, Coolhaven 106, Rotterdam, begroting bouwsom fl. 245.025,--.
 
 
Op 5 november 1992 haalt de 6477 een lege bollenwagen van het terrein van Philips.
Foto Remco Bruggink. Uit: Rail Magazine 262, maart 2009, blz. 59.
 
Inmiddels had Philips al heel wat reorganisaties en afslankingen achter de rug. Twaalf jaar geleden werkten er nog meer dan 1500 mensen. In 2009 werd de glasfabriek stilgelegd en volledig ontmanteld. Kwamen de grondstoffen vroeger per trein en later steeds meer per vrachtauto, voortaan werd het glas kant en klaar vanuit Polen (ondanks de hoge brandstofprijzen) over de weg aangevoerd.
 
Op 1 maart 2012 werd het ontslag aangekondigd van 200 van de nog resterende circa 500 werknemers bij Philips. Naar verwachting was dat het begin van het einde van bedrijf in Roosendaal. In BN/De Stem werd uitgebreid aandacht besteed, aan de hand van een tweetal boeken, uitgegeven bij het 50- en 60-jarig bestaan.
 
In Roosendaal zat nog een tamelijk nieuwe productielijn, maar zodra die investering was terugverdiend zou de sluiting van Philips in Roosendaal nog slechts een kwestie van tijd zijn. Overigens was het al wel zo dat het productieproces zover is geautomatiseerd, dat als de consument de lamp uit de verpakking haalt, hij de eerste mens is die er met zijn handen komt.
 
Uiteindelijk werd Philips in 2014 nog verder afgeslankt en het laatste nieuws is dat Philips in Roosendaal na 65 jaar zijn deuren zal sluiten in 2015.
 
 
BN/De Stem 3 maart 2012 (linker gedeelte)
 
 
BN/De Stem 3 maart 2012 (rechter gedeelte)